Categorieën
Graven met Gritter Verhalen

Graven met Gritter #2 – Familie van?

Het is een vraag die me als kind in de jaren zeventig en begin jaren tachtig vaak is gesteld: ‘Ben jij familie van…?’ Nog vóór de naam werd uitgesproken wist ik al precies op wie de vragensteller doelde. Er was in die jaren namelijk maar één Gritter die met regelmaat de kranten haalde en grote bekendheid genoot, in ieder geval bij het sportminnende publiek: voetballer Ab Gritter.

Fragment krantenartikel, verkregen via Delpher

Na FC Groningen, waar Ab uiteindelijk tot halverwege 1975 zou blijven, volgde een langdurige verbintenis (tot ergens in 1982) met FC Twente. In zijn laatste jaren als voetballer streed hij voor het Deense Kolding IF en SC Heracles. Daarna werkte hij als trainer, onder meer in Denemarken en in Schotland en voor SC Heerenveen. In 2008 overleed hij – veel te jong – aan een hartaanval.

Op de regelmatig terugkerende vraag of ik familie ben van Ab Gritter had ik steevast als antwoord: ‘Ongetwijfeld.’ Er zijn nu eenmaal – relatief gezien – niet zo heel veel Gritters in Nederland en ik durfde als jochie de stelling al aan dat alle mensen met de achternaam Gritter tot dezelfde stam behoren. Maar de boom is sedert de zeventiende eeuw – de tijd van onze oudste bekende ‘oer Gritter’ – behoorlijk vertakt geraakt. Op de vervolgvraag hoe ik dan familie ben van voetballer Ab (die is geboren met de voornamen Albert Jan) moest ik het antwoord altijd schuldig blijven.

Wat mij betreft is eindelijk de tijd gekomen om uit te vinden hoe de familierelatie precies in elkaar steekt. Zo kan ik voor eens en voor altijd definitief de vraag beantwoorden: ‘Gritter, ben jij familie van Ab Gritter?’ In het relaas dat volgt, zal een oude bekende opduiken: Jantien Alberts Gritter, de moeder die haar achternaam gaf aan haar jongste kind Johannes – de achternaam waaraan ik de mijne te danken heb. Hierover schreef ik eerder in het bericht Een dubieuze afkomst.

Als ik de familielijn met de achternaam Gritter van vóór mijn vader terugvolg, kom ik achtereenvolgens de volgende personen tegen:

Jan Gritter1912-1956
Johannes Gritter1891-1981
Jan Gritter1865-1948
Johannes Gritter1837-1922
Jantien Alberts Gritter1793-1873

Jantien Alberts Gritter was het oudste kind van Hendrikje Willems Pander (1776-?) en Albert Geerts Gritter (1771-1814). Deze Albert werd ook wel ‘Grutter’ genoemd, overigens net als Jantien. Naast Jantien kregen Hendrikje en Albert nog zes kinderen. Naast de heel jong overleden Geert Alberts (1794- vóór 1796) en Geert Alberts (1796 – vóór 1798) waren dit Geert Alberts, Willem Alberts, Femmigje Alberts en Jan Alberts. De derde Geert Alberts, Jantiens oudste jongere broer dus, trouwde in 1818 met Jantien Arends. Eén van de lijnen die daar weer uit voortvloeit blijkt te leiden naar de in 1949 geboren Ab Gritter, die in 1972 toetrad tot het legioen van FC Groningen.

‘Gritter, ben je familie van Ab Gritter?’ Het antwoord is, zoals ik altijd al dacht: ja. ‘Maar: hoe dan?’ Ook die vraag valt nu eindelijk goed te beantwoorden. Als de stamboom van Ab in mannelijke lijn wordt gevolgd, blijkt één van zijn voorvaderen, Geert Alberts, een jonger broertje te zijn geweest van mijn ‘oudgrootmoeder’ Jantien Alberts Gritter. In onze afkomst delen we daarmee de ouders van mijn Jantien en zijn Geert: Albert Geerts Gritter en Hendrikje Willems Pander. De familielijnen liggen daarmee behoorlijk uit elkaar, maar toch: we zijn familie.

Of de jeugd van huize Gritter-Pander wel eens samen een balletje heeft getrapt, is onbekend. Het spelletje is al oud, maar het moderne voetbal met al zijn regels wordt vaak in een veel later jaar gesitueerd: in 1863, het jaar waarin de Engelse Football Association werd opgericht.

Den Andel, oktober 2020

Categorieën
Graven met Gritter Verhalen

Graven met Gritter #1 – Een dubieuze afkomst

Als mijn stamboom in de mannelijke lijn wordt teruggevolgd ontstaat in eerste instantie een traditioneel beeld. Mijn vaders vader heette Jan, diens vader heette Johannes, daarna kwam weer een Jan en vervolgens was er weer een Johannes. Het zou niet verbazen als de volgende in de lijn wederom een Jan zou zijn geweest. Het geval wil, dat dit mogelijk zo is. Of het klopt, is de vraag. Wat zeker is, is dat de stamboom voor wat betreft de mannelijke lijn bij de laatste Johannes stopt en overschakelt naar een vrouwelijke voorouder. Wie de vader is van deze Johannes, die in zijn werkzame leven koopman, schaapsherder en winkelier is geweest, is onduidelijk. Hij is volgens de stamboom namelijk het kind van ‘oudgrootmoeder’ Jantien Alberts Gritter (ook wel ‘Grutter’ genoemd) en NN. Geen officiële Jan, maar wel Jantien.

De achternaam Gritter komt in mijn tak dus uiteindelijk van Jantien, want ook haar zoon Johannes kreeg haar familienaam. Maar of iedereen hem zo kende?

Jantien (1793-1873) stond in 1869 nog in de boeken als arbeidster. Of ze in dat jaar, op haar zesenzeventigste, nog steeds als zodanig de kost verdiende, is onbekend. Bij haar overlijden was ze in ieder geval ‘zonder beroep’. Wel kan worden achterhaald dat ze in haar leven moeder is geweest van in totaal zeven kinderen. Dit betroffen een zoon uit haar eerste huwelijk, drie zonen en een dochter uit een tweede huwelijk, een dochter uit een onbekende derde relatie en Johannes uit een onbekende vierde relatie. Met de vierde partner zou ze sinds 1836 hebben samengewoond. Johannes zelf is op 10 juni 1837 geboren in Ruinen.

Hoewel de vader van Johannes in de stamboom wordt aangeduid met NN, is zijn mogelijke naam bewaard gebleven in de familieherinnering. Mijn vader, helaas overleden, heeft mij de vermoedelijke naam én het beroep doorgegeven van onze gezamenlijke – officieel onbekende – voorouder. Als ik me de gesprekken met mijn vader goed herinner, was hij niet helemaal zeker. Er was een aarzeling in zijn stem. Ook hij moest het natuurlijk doen met een herinnering, een familieverhaal. Feit is wel dat mijn vader menig voorouder heeft gekend en daardoor een directere lijn had met zijn voorgangers. Hij was zelf geboren in 1933. Johannes, de zoon van Jantien, overleed in 1922, zodat hij die natuurlijk niet heeft kunnen meemaken. Wel heeft hij een zoon van die Johannes moeten kennen: mijn eigen vaders overgrootvader Jan. Die is namelijk overleden in 1948. Ook een zoon van deze Jan, mijn vaders opa Johannes (overleden in 1981) en zijn eigen vader Jan (overleden in 1956) waren aanwezig in zijn leven. Ter vergelijking: zelf heb ik, buiten mijn vader, geen van deze heren gekend. Waarom dit ook de in 1981 overleden ‘laatste’ Johannes betreft (mijn overgrootvader dus) is voer voor een ander bericht.

Johannes kreeg zijn officiële achternaam Gritter van zijn moeder Jantien. Maar volgens mijn vader was hij in Ruinen vooral bekend onder een andere achternaam. Dat was de familienaam van zijn vermoedelijke vader. De zoon van Jantien werd in het dorp Johannes Kel genoemd en Johannes’ vader zou Jan Kel heten. Zijn beroep, in ieder geval in de herinnering van mijn vader: marskramer. Ik stel me voor dat de man op een goede dag – met zijn nering op de rug – stoffig door stuifzand en vermoeid door een lange voettocht bij Jantien aanklopt, die hem binnenlaat opdat hij haar zijn waren kan tonen en hij bij de haard kan aansterken met koffie en jenever.

Het verhaal eindigt hier niet. Ik heb namelijk enkele bronnen gevonden waaruit blijkt van in ieder geval ‘een’ band tussen Jantien Alberts Gritter – de moeder van Johannes – en ene Jan Kel, volgens de overlevering de vader van de in 1837 geboren Johannes. Een eerste bron betreft de geboorteaangifte van Johannes. Wat blijkt: de komst van de kleine Johannes is aan de autoriteiten gemeld door… Jan Kel.

Deel aangifte van de geboorte van Johannes (bron: Drents Archief (online); Geboorteregister Ruinen 1837, archiefnummer 0165.023, inventarisnummer 1837, aktenummer 28)

Uit de aangifte volgt dat Jan Kel – zo kan de met vulpen geschreven naam in elk geval gelezen worden – op 12 juni 1837 verscheen voor de burgemeester van Ruinen, Jhr. mr. Hendrik Gerard van Holthe tot Echten, om te verklaren dat Jantien Alberts Gritter, oud veertig jaar (maar in werkelijkheid ouder), op de tiende juni 1837 des avonds om vijf uur bij Jantien thuis is bevallen van een zoon, aan wie hij – Jan Kel – de naam Johannes gaf. De aangever zou 52 jaar zijn geweest en wever van beroep. De aangifte is uiteindelijk niet mede ondertekend door Jan, maar door twee getuigen: een schoolonderwijzer en een ‘landbouwer’. Jan Kel verklaarde namelijk “zijn naam niet te kunnen schrijven, als hebbende zulks niet geleerd”.

Deel 2 geboorteaangifte Johannes (bron: Drents archief (online); Geboorteregister Ruinen 1837, archiefnummer 0165.023, inventarisnummer 1837, aktenummer 28)

Een wever is geen marskramer, maar mogelijk bleek dat Jan Kel, nadat hij eenmaal was neergestreken in Ruinen en de liefde van zijn leven had gevonden, meer in zijn mars had dan enkel huishoudelijke waren.

Een ander verband tussen Jantien Alberts Gritter en Jan Kel volgt uit de overlijdensakte van Jan.

Overlijdensakte Jan Kel (Bron: Drents Archief (online); Overlijdensregister Ruinen 1842, archiefnummer 0167.023, inventarisnummer 1842, aktenummer 22)

Uit de verklaring volgt dat Jan Kel, wever van beroep, geboren in het Overijsselse Hengelo in 1785, zoon van Johannes Kel en ene Aaltien, op 10 juni 1842 om zes uur ’s ochtends is overleden. Precies op de vijfde verjaardag van Johannes. Plaats van overlijden: Ruinen, ‘ten huize’ van de weduwe Albert Lukas Kuik. Deze Albert treffen we in de familiestamboom aan als de in 1828 overleden eerste echtgenoot van… Jantien Alberts Gritter.

Een interessant gegeven uit de verklaring is dat Jan Kel gehuwd was. Een nadere zoektocht leert dat hij in 1813 is getrouwd en vader was van vier kinderen, waarvan de jongste is geboren in 1821. Zijn vrouw, Femmetje Klaver, overleed in Meppel in 1853. Hoe Jan in Ruinen is terechtgekomen om daarna – althans dat vermoed ik – niet meer terug te keren naar zijn vrouw, is in nevelen gehuld.

De Jan Kel die hier wordt opgevoerd komt in stamboomonderzoek terug als zijnde geboren op 1 oktober 1786 en overleden op 10 juni 1842. Het in de overlijdensverklaring genoemde geboortejaar 1785 lijkt te berusten op een vergissing.

Diverse bronnen wijzen dus op een band tussen Jan Kel en mijn oudgrootmoeder Jantien. Daar komt de herinnering van mijn vader nog eens bij. Of ik daarmee mede afstam van wever Jan Kel, die wellicht als marskramer heeft rondgetrokken? De afkomst blijft dubieus.

Den Andel, oktober 2020

[In dit verhaal is, naast materiaal uit het Drents Archief, gebruik gemaakt van diverse genealogiesites en online stambomen, zoals Henglias, Genealogie Online en de genealogiepagina’s van Gerrit Speek.]

Categorieën
Feuilleton Wadhuysen Verhalen

“Wadhuysen” – Aflevering 12: De bijeenkomst

 

het rommelt in de bodem
het schuurt op het land;
honden vechten om een been
maar de wolf eist het op
 

In een oud vervallen schuurtje op een weiland tussen Kweldergat en Wadhuysen werd op een voorjaarsavond een podiumpje gebouwd van pallets. Een oude mixer, wat kabels, een gebutste microfoon en twee speakers dienden voor het geluid. Enkele gedeukte theaterspots werden met beugels aan palen vastgeschroefd. Achter het podium hing een vlag met een blauwe baan boven, een groen baan onder en in het midden een beeltenis van een aardappel. Buiten werd een kleine generator gevuld met benzine om het geluid en het licht in het schuurtje van stroom te voorzien.
 
Boudewijn van Ruyt van Ronnen stapte op de triplex plaat die op de pallets was gelegd, en keek tevreden rond. Hij telde negen personen op de platgestampte kleivloer van de oude schuur. Samen met Jan Hendrick Woelesteijn en Maud de la Grenouille, ‘zijn linker-en rechterhand’ zoals hij ze gekscherend noemde, kwam het totaal deze avond op twaalf. Eén meer dan op de bijeenkomst van vorige week. De beweging groeit, dacht Boudewijn tevreden.
Maud had buiten de generator gestart, Jan Hendrick draaide op de mixer het volume van de microfoon hoger. Een snerpend hoog piepgeluid sneed in een ieders oor. ‘Most microfoon eem verploats’n m’jong,’ riep iemand uit het publiek. Boudewijn deed een pas naar rechts, en zette de microfoonstandaard uit het bereik van de speakers. Buiten bromde de generator. Boudewijn nam het woord.
 
‘Welkom. Welkom agrariërs, burgers, buitenmensen,’ opende Boudewijn in accentloos Nederlands. Welkom, lieve mensen. Welkom Groningers. Welkom… vrinden. Mensen: hier brandt licht. Hier brandt licht, opdat we elkaar vanavond recht in de ogen kunnen kijken. Met open vizier, oprecht, zonder tierelantijnen. Ohne Opschmuck. Maar buiten, lieve vrinden, is het donker. Aardedonker, zo zwart als de nacht. Want iemand, mensen, heeft het licht uitgedaan. Iemand heeft ons het licht ontnomen. En vergis u niet, het wordt nóg donkerder. Ik zeg het u, ik heb het gezegd: het wordt nog veel duisterder. En het is de vraag, of het ooit weer licht wordt.
Een dreigende nacht rammelt aan de poorten van onze provincie, ons vaderland, onze toekomst. Dit is geen bisbilles! Hordes staan gereed om ons prachtige Groningerland binnen te vallen en ons alles te ontnemen wat ons lief is. Onze cultuur, ons verleden, onze dochters.
U raadt reeds wie het is die ons bedreigt. U weet al wie ons in een hoek drukt. U kent ze immers al. Druppelsgewijs zijn ze al op pernicieuze wijze binnengedrongen, de emmers vullend. De eerste verkenners. Dit zal doorgaan totdat het wachten is op die laatste druppel, die ene druppel, die de emmer doet overlopen. Maar dan is het te laat! Ze zitten al in de besturen van onze verenigingen, ze dringen voor bij de buurtsuper, ze vinden dat alles anders moet. Juist, ik hoor het u denken: de Westerlingen. De Randstedelijken met hun onverstaanbare tongval.
Platgebrand door stress en uitgeblust door hun psychologen zoeken ze de rust en de ruimte van ons Groningerland. Pensioneren in de periferie. We staan aan de vooravond van een vloedgolf van vergrijsde westerlingen: Hagenezen, Rotterdammers, Amsterdammers, types uit Uithoorn. Tijd voor actie! Malo nodo malus quaerendus cuneus! We moeten de grenzen sluiten, lieve mensen. Want ze bedreigen onze Fladderak. Onze Groninger Koek. Ze koketteren met onze Ede. Onze Ede! Onze dierbare cultuur wordt uitgehold, lieve mensen. Onze identiteit. Ze komen als leraar te werken op onze scholen om onze zonen en dochters te indoctrineren met hun nuffige ideeën. Om ze te vergiftigen met rins zure acide.
Dag en nacht werken ze aan hun missie om ons frugale Groningen tot wulpse speeltuin te maken. En het gebeurt als u in Morpheus armen ligt, lieve mensen. Juist dan, als u tegen elven eindelijk in slaap bent gevallen, als u na een lange dag werken eindelijk een uiltje kan knappen, vergrijpen ze zich aan onze dochters en onze zonen, aan onze Groninger normen en waarden, aan onze Groninger worst. Binnen enkele generaties zijn alle Groningers verdwenen, calculeer ik u voor. Een assimilatie is gaande.
Het Gronings verdwijnt, het Haarlems verschijnt. Doch ik, Boudewijn van Ruyt van Ronnen, zal dat nimmer toestaan. Ik zal dat nimmer laten gebeuren. Nimmer! Als uw dochters u lief zijn, sluit u zich bij mij aan. In mijn armen zijn uw dochters veilig. Wij zullen de rabauwen een halt toeroepen. We zullen de gemeenteraden verankeren met Neptunus’ drietand, die als Sikko’s mestvork diep in de klei wordt gestoken. Onze ambitie ligt hoog! Als we met uw steun over vier jaar de Provinciale Staten kunnen zekeren, zal ik in uw naam pleiten voor een muur. Een hoge muur om het Groningse koren van het kaf te scheiden. We zullen de besturen van de dorpsbelangen zuiveren en de macht weer bij óns neerleggen. Van ons is de wei, we zijn baas op eigen klei! Dit alles, lieve mensen, heeft wel een prijs. Want we zullen door moeten gaan met de gaswinning. We moeten het onderste uit de kan halen om het lid niet op het nasale orgaan te krijgen! Voor niets gaat alleen luna slapen! Maar: dan is de gasopbrengst wel voor ons! En ook voor u, natuurlijk. Dat zweer én beloof ik!’
 
Boudewijn liet een korte stilte vallen, en wees naar een oude vrouw in het publiek die haar vinger al een tijdje had opgestoken. ‘Mevrouw! Zeg me wat u op uw hepar heeft! We zijn bijeen met open vizier!’
‘Gaskroane goat toch dicht? Dei goat toch nait weer open? Hoop ik teminste nait.’
Een instemmend gebrom ging door het schuurtje.
Boudewijn wilde antwoorden, maar een gezette man in corduroy pak en geruite pet nam het woord. ‘Woarom proat joe gain Grunnegs vanoavend as joe zo begoan bint mit Grunneger cultuur?’
Wederom instemmend gebrom. Dit maal iets luider.
‘Mien buurman komt oet Oamersfoort,’ zei een blonde vrouw. ‘Hij’s elke week een oavend vort veur zien cursus Grunnegs. Elke dag heur ik Ede Stoal uut zien hoes blèrn. ‘k Word er maal van. Ik zeg joe: hij’s meer Grunnegs dan ik zo laangzaamerhaand!’
Gelach.
‘Goed,’ zei Boudewijn met een kleine trilling in zijn stem. ‘Het is een tijd van komen en een tijd van gaan. Steun onze strijd en sluit u aan!’ Boudewijn hield een vuist in de lucht die qua contouren leek op de aardappel van de vlag. Jan Hendrick liet daarop via zijn telefoon, die hij op de mixer had aangesloten, het Gronings volkslied horen.
 
De negen personen die het betoog van Boudewijn hadden aangehoord dropen onder de klanken van het Grunnens Laid zwijgend af. Maud en Jan Hendrick keken Boudewijn bemoedigend aan. ‘Het is een lange weg naar het licht, Boudewijn,’ zei Maud. ‘Maar eens zullen ze de ware vijand van het Groninger volk herkennen.’ Boudewijn knikte instemmend. ‘Toch maar mooi één meer dan vorige week,’ zei Boudewijn.
 
Wordt vervolgd

Categorieën
Feuilleton Wadhuysen Verhalen

“Wadhuysen” – Aflevering 11: Kerk of kroeg

kerk of kroeg:
het is nog vroeg
de duvelstied moet nog komen

De kerk van Kweldergat, een laatromaans bouwwerk uit de dertiende eeuw met losstaande toren, werpt op zonnige ochtenden zware, zwarte schaduwen op de buurman: Café De Jutter. Aan het einde van de dag, als de zon richting het westen draait om zijn nachtelijke rustplaats te vinden, zijn de rollen omgedraaid: dan zet het hoge pand van De Jutter de kerk in het donker. 

Ook het pand van De Jutter heeft diepe historische wortels. In de vijftiende eeuw werd het als herberg gebouwd in opdracht van de toenmalige heer van de Waddenburcht, Alfreth Ruyndael. De kroeg met kamerverhuur kent sindsdien een bonte historie vol uitbaters, kastelijnen en herbergiers, met de Fries Tjerk Wielinga als huidige kroegbaas. 

De tijd dat de kerk in de schaduw van de kroeg lag, werd sedert eeuwen de duvelstied genoemd: de tijd van de duivel. In de oude tijden zorgden de godvrezenden dat ze op dat tijdstip veilig thuis waren en de luiken hadden gesloten. De goddelozen trokken er op dat moment juist op uit om samen te komen in de kroeg van Kweldergat.

Op een kletsnatte maartse zondagmiddag stond Gerrit Kiter rond een uur of drie op het smalle, verlaten marktpleintje dat tussen de kroeg en de kerk van Kweldergat lag. Gerrit was komen lopen van zijn huisje aan de oostkant van het dorp. Zijn spijkerbroek en zijn zwarte jas waren doorweekt. Regen droop via zijn Panamahoed naar beneden. De oude dichter probeerde een sigaret op te steken, maar de aansteker was te nat. 

In zijn hoofd vormden zich uit het niets enkele regels voor een blues gedicht, een gedicht over een lange mars richting vrijheid door maartse buien en over modderige paden waarover hij tijdens de wandeling naar het pleintje had nagedacht. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf,’ mompelde hij. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf / Het hoofd gebogen, gedwongen braaf.’

Gerrit twijfelde. Al zijn hele leven, aan en over van alles, maar nu, in de regen, in het bijzonder tussen kerk en kroeg. Tussen kerk en Tjerk.

In het café zou hij een goed opgestookte kachel treffen, alsmede een goed glas bier en – veelal – aangenaam gezelschap. De gesprekken zouden laveren tussen de zin van het leven, het weer van volgende week en het falen van de plaatselijke politiek. Af en toe pakte hij of een ander een gitaar om een lied te doen. Gevraagd en ongevraagd donderde er soms een gedicht door de kroeg, van Gerrit of een andere gast.

De kroeg. Maar in de kerk was nu een poëziemiddag gaande, rond het thema ‘Zin’. Dominee Ranselbeek had Gerrit persoonlijk voor de middag uitgenodigd. Echter niet als dichter, om enige voordrachten te doen, maar als gast. 

De zeven dichters die wel zouden optreden, kwamen van ver. Drie kwamen uit Stad, de overigen uit het westen van het land. Allen zouden netjes hun reiskosten vergoed krijgen en een fatsoenlijke beloning inclusief consumptiebonnen tegemoet kunnen zien, nu de middag mede georganiseerd werd door de Kulturele Kommissie Kweldergat. Deze commissie organiseerde culturele activiteiten in het dorp, maar liet die steeds, in overleg met dominee Ranselbeek, in de kerk plaatsvinden. Kroegbaas Tjerk Wielinga had de voorzitter van de Kulturele Kommissie, burgemeester Wilbert Wildhart, wel eens gevraagd of de commissie niet eens een leuke activiteit in de kroeg zou kunnen organiseren. Een optreden van een bekende artiest, bijvoorbeeld. ‘De Kommisje het gjeld sat,’ had Tjerk gezegd. ‘Als jo wat organiseerje in mijn kroeg, af en toe, dan heb ik ek wat beleg op mijn boterham. Maar waarom gebruke jo steeds de kerk?’ Er was een kleine stilte gevallen. ‘Het is simpel, Tjerk,’ had de burgemeester geantwoord. ‘Het is zo, omdat we het altijd zo hebben gedaan. Denk je dat jouw komst uit Friesland dat zo maar verandert?’ De burgemeester barstte daarop in een lachen uit en was de kroeg uitgelopen, Tjerk in verwarring achterlatend. 

‘Je kunt natuurlijk het ene doen, en het andere niet laten,’ dacht Gerrit. Even later stapte hij de kerk binnen. De grote deur gaf toegang tot een voorportaaltje, waarna een deur voor hem naar de kerkzaal werd geopend door iemand van de Kulturele Kommissie, die een vinger op haar lippen hield om Gerrit te manen tot stilte. 

De deur werd zachtjes achter hem gesloten. Het publiek in de kerkbankjes keek hem verstoord aan, maar richtte de blik weer snel op de kansel, waar een in het zwart gestoken dichter monotoon mompelend frasen uitsprak, die verdronken in de galmende akoestiek van de kerk. Nadat de dichter zijn gedicht had gelezen, daalde hij via een wenteltrap naar beneden. 

Er volgde geen applaus. Wel een lange stilte, die werd gevuld met het geluid van druppend water, regenwater dat uit Gerrits kleding en van zijn hoed drupte. Elke druppel die op de betonnen vloer viel, galmde hoorbaar in de ruimte. Wederom draaiden diverse gasten zich met een verstoorde blik naar hem om.

Op het moment dat een volgende dichter opstond om met een dichtbundel in de hand de kansel te beklimmen, opende Gerrit zijn mond. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf,’ riep hij, met exact het juiste volume om voor een ieder verstaanbaar te zijn. ‘Vrij geboren, sterven wij als slaaf,’ zei hij nogmaals. ‘Het hoofd gebogen, gedwongen braaf.’

Enkele dames uit het publiek slaakten verschrikt een gil, enkele heren lieten brommend hun afkeer blijken. Voorin de kerk stond de burgemeester op, die hem streng aankeek en zijn hoofd schudde. 

Gerrit draaide zich om en verliet de kerk. Buiten was het droog, een waterig zonnetje aaide het dorp. Gerrit stak het marktpleintje over en liep zo van de kerk naar de kroeg van Tjerk. ‘Zo ben ik mooi voor duvelstied onderdak,’ dacht hij toen hij het lawaaiige café binnen ging. 

Wordt vervolgd

Categorieën
Feuilleton Wadhuysen Verhalen

“Wadhuysen” – Aflevering 10: Sarah en Wilbert

de maan trof de zon
even groot, even rond
zwart licht spoelde
over de Aarde

Sarah Wildhart opende de gordijnen van de slaapkamer. Ochtendlicht stroomde binnen. Het was fel genoeg om amateurhistoricus en oud-ambtenaar Dirk Jenstra, die nog in bed lag en sliep, te wekken. Hij kreunde zacht. Sarah glimlachte. ‘Sorry lieverd,’ zei ze. ‘Maar kijk eens op de klok.’ Het was even na tienen. ‘Ik voel al mijn spieren,’ zei Dirk met een dikke stem. ‘Zijn we niet te oud voor die… nachtelijke toestanden?’ Sarah glimlachte weer. ‘Ik voel me kiplekker Dirk. En, zal ik je zeggen, ik heb me ook in jaren niet zo goed gevoeld.’
Dirk plaatste zijn kussen achter zijn rug en ging rechtop zitten in bed. ‘Toch vreemd hoe het is gelopen, vind je niet?’ zei hij, nog steeds een beetje slaperig. ‘Zo toevallig allemaal. Ik bedoel: als je die ochtend niet op zoek was gegaan naar mij in het oude archief, dan had je het lijk niet gevonden. Dan was je niet verhoord door de politie en had je niet hoeven melden dat je in het archief op zoek was naar mij.’
‘Ja, maar dat had nog niets te betekenen natuurlijk,’ zei Sarah.’We zitten al tien jaar samen in het bestuur van de Historische Vereniging. Als ik je dan ga opzoeken in het oude archief van het gemeentehuis, waar je vaker komt, dan is dat alleen al om die reden niet zo gek. Maar goed, daar liet ik het dus niet bij.’
Dirk lachte. ‘Nee, je legde direct je hele hebben en houden bloot…’
‘Ik weet niet wat me bezielde, Dirk. Die rechercheur stelde me op een zodanige geraffineerde manier vragen, dat ik het idee had dat ik iets moest bekennen. Nou, dat was dus onze geheime relatie. Terwijl ik ook had kunnen zeggen: als penningmeester van de Historische Vereniging Kweldergat en Wadhuysen wilde ik even bij de voorzitter van de vereniging langs die vermoedelijk in het archief aan het werk was. Maar het is goed zo, ik voel me opgelucht.’
‘Ik had je nog verteld dat ik pas later in de week naar het archief zou gaan.’
‘Ja, achteraf wist ik dat weer. Maar ik trof Wilbert niet op zijn werkkamer en dacht alleen: misschien tref ik Dirk wel beneden. Ik wilde je gewoon even zien.’
Dirk spreidde zijn armen in een uitnodigend gebaar. ‘Ik ben ook blij dat het zo gelopen is, Saar.’
‘Gelukkig Dirk. Maar ik kom niet meer in bed. Ik heb zin in koffie.’
 
‘Het had gewoon zo moeten lopen Wilbert,’ zei Karel Kryns. De wethouder liep samen met burgemeester Wildhart in de bezinningstuin van het Zwart Licht Genootschap, een geloofsgemeenschap die Kryns samen met zijn vrouw in een oude boerderij ten westen van het dorp Wadhuysen bestierde. ‘Het had zo moeten lopen Wilbert,’ zei Kryns nogmaals. ‘Je voelt je meer en meer aangetrokken door het licht Gods. Hij heeft je geroepen tot zijn Hemelse Bad, om te weken, om schoon te worden. Om als herboren en droog gewreven in schone kleren te kunnen stappen. Sarah heeft je daarin nooit gesteund. Nooit heeft ze een keer gekeken hoe het stond met de temperatuur van het badwater. Nooit heeft ze de moeite genomen te bezien of er voldoende handdoeken in de kast lagen.’
‘Metaforisch, dan,’ zei Wildhart.
‘Metaforisch, Wilbert. Strikt metaforisch, natuurlijk. Kijk, onze God is niet monogaam. Hij is getrouwd met een ieder die van Hem houdt. Hij is de herder, wij de schapen. Maar om ten volle te kunnen genieten van dit hemelse huwelijk, dit verbond met onze herder, moeten wij aardse schapen proberen wel monogaam te zijn. In een goed georganiseerde kudde volgen de schapen de herder, Wilbert, en niet elkaar. Ons hart is groot, immers, maar niet oneindig. Maar: juist groot genoeg voor onze Heer.’
‘De zon en de maan.’
‘Juist Wilbert, de zon en de maan. Je hebt goed opgelet. De schijf van de maan valt precies over de schijf van de zon. Op een dag  dag van het zwarte licht, tijdens een zonsverduistering, zien we dat ons hart net groot genoeg voor de Heer.’
Ze kwamen aan het einde van de tuin. Achter hen de grote boerderij, voor hen, in de verte, de oude, lage slaperdijk. ‘Maar Wilbert, jij bent ook getrouwd. Ik bedoel: als iemands hart gevuld is met liefde voor God, als iemands hart daar vol van is, dan ben jij dat. Waar is dan nog ruimte voor mevrouw Kryns? Ik weet dat dit heel direct en persoonlijk gesteld is, maar toch.’
‘Een hele goede vraag, Wilbert. Een hele goede vraag. Zie Titia en mij als twee schapen die toevallig steeds naast elkaar voorop lopen, dicht bij de herder die ons leidt over de hemelse heide. Sarah is de wolf die jou juist bij de kudde vandaan wil jagen. Die jou wil isoleren. Die jou wil verschalken.’ Een felle blik flakkerde in Karels ogen, een blik die snel weer doofde. ‘Metaforisch natuurlijk,’ zei Karel. Metaforisch.’
Wildhart knikte. ‘Juist, metaforisch, Karel.’
Ze liepen stil over slingerende paadjes terug naar de boerderij. Af en toe troffen ze een lid van het kerkgenootschap op het pad, mediterend bij een boom of een struik.
‘Dank je wel Karel, voor je tijd en je wijsheid,’ zei Wilbert toen ze bij de boerderij waren aangekomen.
‘Graag gedaan natuurlijk,’ zei Kryns. ‘Ik neem aan dat ik je woensdag hier weer zie?’
‘Woensdag? Hier?’
‘Het is dan Biddag voor Gewas en Arbeid. Die dag bidden we de gehele dag voor een goede oogst en hardwerkende arbeiders. Voel je welkom.’
‘Natuurlijk kom ik. Het gemeentehuis is dan dicht. Karel, dit moet me van het hart: ik voel me bevrijd. Ik hoef niet met Sarah te overleggen of het goed is dat ik hier dan de hele dag ben.’
‘Helemaal goed. Voor eten wordt gezorgd: Titia gaat weer voor iedereen linzensoep koken.’
 
Wordt vervolgd